De kamer

JK: Wat er daarnet bij me opkwam in het kotje in de tuin, was de gedachte dat leegte licht schenkt aan wat meegemaakt wordt. Een dergelijke gedachte snijdt natuurlijk geen hout. Het is een poging om met de taal iets te duiden dat nu eenmaal onmogelijk is. Het is duidelijk dat onze gesprekken, hoe dan ook afhankelijk zijn van dit medium. Het zijn de gedachten die – in de vorm van taal – opkomen en weer verdwijnen in datgene waarnaar ze verwijzen: Dit, de taalloze, peilloze stilte die is.

20161021_133726_001-01(1)

Deze kamer, waar we nu in zitten, is er bij de gratie van Leegte. Het is leegte maar doet zich voor als een ruimte met alles erin, erop en eraan. Toch zijn deze opsommingen, alles erin erop en eraan, geen afzonderlijke objecten of vormen. Althans in het onmiddellijke zien waarover we het in deze gesprekken zullen hebben.

Voor het onmiddellijke zien – verlichting – is er eenheid, zo je wilt onverdeeldheid. De term onverdeeldheid wijst, wat mij betreft, naar het zicht dat er geen scheiding is tussen de kamer die nu gezien wordt en de zogenaamde Leegte. Voor het gemak gebruik ik steeds weer het beeld van deze kamer waarin we nu op een stoel zitten. Je zou het de rechtstreekse perceptie kunnen noemen waar men niet omheen kan.

Wanneer we ’s morgens wakker worden, is er het bed, het nachtkastje en eventueel iemand die naast je ligt. Als je in de woestijn wakker wordt, is dat de ‘kamer’. Je kunt ook in een ruimtecapsule of een kartonnen doos wakker worden. Je kunt nergens anders wakker worden dan in een kamer of locatie. Ik bedoel dat de directe perceptie van, zeg maar de leefruimte, onvermijdelijk is.

Het is best aardig om met deze gedachte te spelen en de onvermijdelijkheid van de kamer te zien. Het maakt het mijnsinziens een stuk eenvoudiger om hiermee de onmiddellijkheid van wat reeds het geval is te herkennen.

Hoe dan ook, we zullen het over verlichting hebben. Tenminste, als jullie het daar mee eens zijn. Het grappige is, dat het woord verlichting iedereen bekend is. Het duidt op het stralen van een lamp. In nondualistische teksten en gesprekken zoals hier, is de betekenis van deze term van een geheel andere orde. Dus we gaan het woord verlichting maar weer eens uit de kast halen, want we kunnen er toch niet omheen dat dit woord alles in zich heeft. Als je het woord geschreven ziet staan, straalt het je van alle kanten tegemoet.

Er wordt vaak gezegd: ‘verlichting is reeds het geval’. Ook wordt gezegd dat ieder mens verlicht is. Dus als het zo vaak gezegd wordt zal het wel waar zijn. Nou ja, vooruit dan maar… Het thema voor vandaag, ‘iedereen is verlicht’.

Dus, het idee of de overtuiging dat er géén verlichting zou zijn, kunnen we in alle rust bespreken. Ik bedoel, we hoeven met een dergelijk onderwerp als dit niet met stoelen of glazen te gooien.

Er is verlichting, maar je kunt doen alsof dat niet zo is. Nou, wanneer sommige onder ons doen alsof het niet zo is, kunnen we tot een gesprek komen. En als die sommige onder ons er níet zijn, ja dan is er verder niks uit te wisselen.

***

Goed. Wakker zijn, verlichting, is dit wat onafgebroken het geval is. Binnen dit wakker zijn kunnen we het spel spelen van afgescheidenheid, van het isolement. Het gevoel van afgescheidenheid wordt, hoe je het ook wendt of keert, in stand gehouden door het idee een iemand te zijn. Dus… we zijn nu wel klaar, zo eenvoudig is het helaas.

Toch kan ik nu niet stoppen. Dat zou een beetje flauw zijn, want jullie hebben tenslotte een kleine donatie gedaan en voor wijn is het nog wat te vroeg.

Dus er woont in het lichaam een iemand die zegt, of voelt, dat er afgescheidenheid is. Of die zegt ook dat verlichting niet het geval is. En die afgescheidenheid maak je mee in de meest uiteenlopende situaties in het leven. Maar als wakker zijn of verlichting het geval is, zijn er dan geen situaties meer? Of is er dan geen afgescheidenheid meer? Nee dan is er geen afgescheidenheid meer.

Je kunt het met deze bewering eens zijn of je kunt het klink klare onzin vinden. Toch heb ik de indruk dat de meeste van jullie wel bekend zijn met dit soort onaardse uitspraken. Afgescheidenheid is verdwenen als er wakker zijn is. Nou, daar gaan onze vragen over, als er vragen zijn natuurlijk.

bsh_vivid

JK: Ben je nog een beetje opgeschoten met je huiswerk, Walter?

Ik ben erachter gekomen, dat ik dingen behoorlijk verkeerd heb begrepen.

Ik heb heel vaak de nadruk gelegd op, hoe zeg je dat, op de zogenaamde manifestatie. Proberen mezelf te veranderen. Tekortkomingen te zien in andere mensen. Te denken, ‘dat klopt toch helemaal niet, en dat is toch niet juist?’ En dan als reactie: ‘Ja, nee, dat is helemaal niet waar, dat heeft er helemaal niets mee te maken.’ 

Mmm.

Dat het een gebed zonder einde is om zo met de dingen in mijzelf bezig te zijn. Om mijn rariteiten, mijn gekten en tekortkomingen te gaan bestrijden, proberen te veranderen alsof er zoiets zou zijn als verlicht gedrag. En maar blijven hangen in dat therapeutische gedoe, wat natuurlijk eindeloos is. Wat dat betreft ben ik opgeschoten met mijn huiswerk. En aan de andere kant word ik strontziek van mijn huiswerk.

JK: Oké, dat huiswerk was ironisch bedoelt zoals je begrijpt.

Ja, maar ik ga er behoorlijk serieus op in. Ik vind dat het toch wel heel erg belangrijk is om je huiswerk te doen.

JK: Ja, vind ik eigenlijk ook wel. We zitten hier niet voor niks. Wat we hier herhaaldelijk bespreken zal toch in de praktijk omgezet moeten worden.

Ja, het moet toch op een gegeven moment aan gaan slaan.

JK: Het moet aan gaan slaan. Dat zeg je mooi.

Ja, inderdaad het moet aanslaan. Het moet twijfelloos zijn. Wat is nou eigenlijk het echte referentiepunt in het menselijke bestaan?

JK: Tot voor kort was het referentiepunt datgene wat Walter aldoor aan het becommentariëren was, is het niet?

Walter die het er wel of niet mee eens is, dat eindeloze zoeken naar een balans en je eigen ongenoegen bij de ander of de omgeving neer leggen.

Vr: Heel vaak teruggrijpen naar het intellect.

JK: Je noemt het ‘het intellect’?

Nou ja of gewoon uit angst om helemaal verkeerd te gaan. Steeds weer checken, alsmaar weer kijken of het wel klopt. Maar de laatste tijd is het meer van; ‘wat een onzin’, ik zie die gestoordheid wel, die algehele gekte. Nou en, wat kan ik gaan doen? Helemaal niks!

Nee.

Vr: En zorgen dat het niet de overhand neemt.

Ja.

Vr: En het is er niet altijd, ook dat nog eens bovendien. Iedereen heeft dat. Ook mensen die tachtigduizend jaar gerealiseerd zijn, demonstreren die gekte. En daar stoorde ik me aan en nu heb ik zoiets van, nou dat is toch leuk!

JK: Ja, is dat zo dat je allerlei rariteiten ontdekte bij mensen die dit uitdragen?

Ja, absoluut. Ook aan jou. Dan denk ik echt: ‘dit spoort niet, die spoort niet!’… maar het heeft er niks mee te maken.

JK: Ik denk dat ik een brave man ben.

Nee, dat ben je helemaal niet. En ik vind het ook niet erg. Ik vind het ook zijn charmes hebben en tegelijkertijd ook zien: ‘het heeft er niets mee te maken!’

JK: Nou ja, niks? Is het echt zo dat het er echt helemaal niets mee te maken heeft?

Vr: Zodra je kunt teruggrijpen op datgene wat je werkelijk bent, en het klinkt eigenlijk wel raar om dat zo te zeggen, dan is de kans op een totale ontsporing vrij nihil.

JK: Als het gezien is?

Vr: Als het gezien is. Want als het allemaal in het licht staat dan, dan… ja, je weet wel.

JK: Dan veranderen de bomen. Dan verandert de geest.

Er verandert helemaal niks!

JK: Nee? Hoe weet je dat?

Vr: Uit ervaring. Als ik me kut voel dan lijkt het alsof alles wel veranderd is. Als ik me goed voel dan lijkt het ook alsof alles wel veranderd is.

Hmm…

Vr: De mooiste vrouw die er is kan, als ik een slecht humeur heb, het volgende moment een verschrikkelijke heks zijn. Dat weet jij ook.

JK: Oh ja, weet ik dat ook?

Vr: Toch is het best wel leuk om dat allemaal duidelijk te zien. Maar als je gaat geloven dat het de werkelijkheid is, zit je nogal in de problemen.

JK: De wezenlijke verandering is toch wel die van 180 graden.

Vr: Ja, waar leg je het zwaartepunt? Dat is gewoon de crux. En als het dan misgaat haal je de schouders op. Nou en? dan gaat het maar eens mis.

JK: Dus het zien dat er niet vanuit een plek gekeken wordt, dat is natuurlijk een grote verandering, vind je niet?

Vr: Daar zit ik nog steeds mee. Er moet toch iets van een referentiepunt zijn? maar dat is er dus helemaal niet. En dan begint het intellect weer van: ‘dat kan toch niet, zoiets is toch onmogelijk!’

JK: Terug te komen op wat je daarnet zei, ‘dat er eigenlijk niks verandert na het inzicht’, of met het inzicht…

Vr: Er verandert wel degelijk iets.

Ja?

Vr: Langzaam thuiskomen. Héél langzaam.

JK: Als er geen plek meer is die je bewoont, hoeft die ‘nietplek’ ook niet meer verdedigt, gecontroleerd of in stand gehouden te worden.

Precies.

JK: Dus je zou kunnen zeggen dat zoiets een grote verandering is. Zoals 30 jaar geleden het woord transformatie heel gebruikelijk was in non-duale kringen. Dé transformatie…

Vr: Ik ben juist huiverig geworden voor die woorden, die omschrijvingen.

JK: Maar goed, termen die we heden ten dage in de zogenaamde Advaita kringen huiverig vinden, waren dertig jaar geleden heel gebruikelijk. Dus wat heeft dit allemaal te betekenen, dit wisselen van begrippen?

Vr: In mijn tijd toch ook. Je deed toch ook therapieën. Je ging toch ook naar India om de grote verandering deelachtig te worden? Om het uiteindelijke te begrijpen. Een voortdurend wachten op het grote licht en het verzamelen van allerlei spirituele ervaringen. Die spirituele ervaringen die je het beste kan vergelijken met een combinatie van alcohol en uh…

JK: Ja maar wacht even, ik heb het alleen maar over het wisselen van begrippen. De verandering qua woordgebruik in de loop der jaren. Om op het begrip transformatie terug te komen:

het is duidelijk een transformatie, wanneer radicaal gezien wordt dat er geen aparte waarnemer in het hoofd is.

Sommige mensen moeten heel erg wennen aan deze ontdekking, maar er zijn er ook die daar al heel snel mee vertrouwd raken. Het verweven zijn met deze aparte waarnemer in het hoofd is zo krachtig, dat wanneer het wegvalt er even de doodschrik is. Vaak maar even en soms ook voor langere tijd.

—————–

Vr: Maar aan de andere kant, het kan ook de heerlijkheid van de continuïteit zijn.

JK: Wat bedoel je daarmee?

Vr: Zoals ik het zeg: ’De heerlijkheid van de continuïteit.’

JK: Wanneer die plek verdwenen is of gezien wordt als onwaarachtig, bedoel je dat?

Ja.

Ja, de heerlijkheid van… maar dat is dus ook weer iets dat heel verschillend ervaren wordt. De één ervaart veel meer extase dan de ander in wakker zijn. Dat lijkt een contradictie, want waarom zou dat dan zo zijn. De een is vriendelijk en de ander blijkt een arrogante niet toegankelijke personage te blijven. Of dat werkelijk zal veranderen in dit wakker zijn, daar zijn geen statistieken van.

Vr: Voor beide niet.

JK: Nee, dus dat is allemaal natte vinger werk.

Zo kunnen we zien dat er in sommige spirituele tradities allerlei disciplines zijn om bijvoorbeeld vriendelijkheid te trainen.

Vr: Dat kan helemaal niet. Geloof je werkelijk dat zulke dingen over vriendelijkheid gaan?

JK: Dat zou ik niet weten. Ik heb dat ooit eens zo opgevangen. Het is toch de Dalai Lama die vriendelijkheid promoot als een fundamentele kracht?

Vr: Ja natuurlijk. Maar gaat het dan over vriendelijkheid, bedoel je? Het is meer een soort spin-off, denk ik.

JK: Ja… dus vriendelijkheid is natuurlijk een heel rekbaar begrip. Het duidt in ieder geval wel op iets. Wellicht op beschikbaarheid of iets dergelijks.

Ja.

JK: Daar ben je het mee eens?

Ja.

JK: Vriendelijkheid. Trouwens, arrogantie is dan het tegenovergestelde. En dat ligt toch ook binnen de mogelijkheden. Mensen die hartstikke helder zijn en er toch een raar soort arrogantie op na houden. Maar goed, dat zal de geur van het beestje zijn zullen we maar zeggen.

******

Vr: Dat lijkt me een hele rare combinatie.

JK: Een rare combinatie?

Vr: Als je je één met alles voelt en één met iedereen bent is er toch geen reden om arrogant te zijn?

…)

Vr: Ik zie het ook allemaal als mijn leerschool en niet zozeer als iets wat ik bij een ander zou kunnen aanwijzen.

JK: Nee, daarom… We zijn geneigd om de zuigende belangstelling voor de ander, de wereld of de omgeving heel erg te benadrukken, maar zo blijf je wel met een gigantische blind spot rondhangen. Zodra je in de ochtend wakker wordt is er die voortdurende spiegeling. De onophoudelijke uitnodiging om te zien dat er geen persoon, geen ander is. En ook dat er niks meer verborgen kan blijven.

Nee.

JK: Misschien is er nog wel de neiging om dingen weg te stoppen maar ook dat wordt onvermijdelijk gezien. Dat wegstoppen wordt gezien. Misschien weet je niet wat je wegstopt maar dat iets wegstopt wordt voel je, dat weet je.

Vr: Dat weet je, ja.

******

Vr: Zou je hier in deze bijeenkomsten het aan het licht moeten brengen, dat wat je wegstopt?

Vr: Het komt aan het licht wanneer het de tijd is. En dat noemen we dan, ‘als de tijd rijp is’. Zogenaamde verborgen dingen komen onherroepelijk tevoorschijn. Ook bij mensen die dit al hun hele leven uitdragen. Er kan zomaar iets aan het licht komen wat hij of zij nog niet gezien of erkent heeft.

Vr: Die arrogantie bijvoorbeeld?

JK: Als arrogantie een zekere lading heeft waarin zij telkens op een lastige manier in het contact met de omgeving in de weg staat, ook al is dat nog zo subtiel.

Vr: Zou dat dan komen omdat de ene mens veel meer belast is dan de andere mens?

JK: Dat is een open deur lijkt me.

******

Vr: Wat bedoel je met belast, Walter?

Vr: Met belast bedoel ik onder andere de genen. En als dat naar boven komt, kan je alsnog uit de bocht vliegen. En dan kun je daar weer moeilijk over doen, maar het is alweer gebeurd.

******

Vr: Ik vind het een mooi thema.

JK: Welk thema?

Vr: Ja, uhh… het was voor mij plotseling helder. Ik lag in bed en kreeg de helderheid die ik ben zomaar cadeau. Daarvoor had ik me heel kort en heel intensief met dit onderwerp bezig gehouden. Verder heb ik nauwelijks boeken geraadpleegd. Tot voor kort geen Guru’s bezocht en nooit naar India gegaan voor het spirituele heil. Maar op de een of andere manier had ik de verwachting, als dát (de hierboven beschreven beleving) hét is, dan is het klaar.

Ja.

Vr: Het is omstreeks een maand of drie geleden maar het lijkt nu juist wel een begin te zijn.

JK: Dat klinkt goed. Het is mooi dat je dit kunt erkennen. Want het feit dat je dit nu zo kunt zeggen en erkennen, getuigt natuurlijk al van deze helderheid. Dit helder zijn, dat zomaar onaangekondigd ‘je ruimte begon te vullen’. Dus dat je zo duidelijk wist van: ‘ja, dit ben ik.’

Ja.

JK: En waarom noemen we het dan het begin? Dat is natuurlijk niet zo gek. Ik ben dit, deze helderheid, waar het zogenaamde begin en het einde van de ‘dingen’ in opkomt. Er kan nooit iets verschijnen zonder deze helderheid. Dus wat er ook tevoorschijn komt, je bent zelf die bron, die onpersoonlijke oorsprong zal ik maar zeggen.

Vr: Dat ik dan neigingen waarneem en denk daar ben ik niet zo blij mee, is natuurlijk weer de invulling van het persoontje. Maar het feit dat het gezien wordt brengt wel een bepaalde verschuiving met zich mee. Het klinkt misschien wel heel wazig maar het feit dat het aan het licht komt is al voldoende. Meer is er gewoon niet nodig.

JK: Dat het aan het licht komt, dat het in alle helderheid gespiegeld wordt – wat natuurlijk aldoor het geval is – is voldoende. Als er meer is dan nodig, bijvoorbeeld door het idee dat jij spiritueel niet oke bent of spiritueel niet opschiet in je ontwikkeling, zal het conflict en dus de verwarring alleen maar toenemen. Het besef dat het gezien wordt, is precies die onmiddellijkheid die je bent. Daarin is het ook duidelijk dat bepaalde gektes meer tijd nodig hebben om hun eventuele destructieve aard te verliezen dan andere malligheden. Integratie wordt het wel eens genoemd. Maar wat moet er dan integreren? Daar hebben we het zojuist over gehad. Over die dingen die niet echt gezien willen worden, en die op de ‘achtergrond’ een moeilijk of zwaar gevoel geven. Noem het maar ongenoegen of iets dergelijks. Dus dat houdt in dat er wel degelijk, ook in wakker zijn, een proces plaats vindt. Dat klinkt dan wel weer erg processerig misschien, maar het zogenaamde proces is onvermijdelijk het leven zelf. Het leven leeft zichzelf zonder dat daar een ingrijper op de loer ligt.

Vr: Dat is het conflict, dat ingrijpen.

JK: Precies. Dat conflict is er in het wakker zijn min of meer uitgevallen.

…)

Interview met JK (JanKees)

Door Martine Clausen

Vanaf 1957 gaf Jean Klein voornamelijk onderricht in Europa en later in Santa Barbara, Californië. Jaarlijks kwam hij tweemaal naar NL.
JK werd zijn leerling vanaf 1970. Hij kwam daar onder andere Francis Lucille tegen. Zowel Lucille als JK geven reeds jaren het directe non-dualistische onderricht door, gecombineerd met de uiterst subtiele werkwijze van de Kashmir-Yoga.

JK noemt zijn ‘staat’ van zijn liever niet verlicht. Hij geeft aan dat de ‘staat’ veelal ‘ontwaken’ werd genoemd maar dat het niet zo is dat hij aan zichzelf refereert als zijnde ontwaakt.

JK: Je kunt als iemand aan je vraagt of je verlicht bent, deze vraag niet met ja beantwoorden. Je kunt wel ingaan op een vraag als ‘is er verlichting?’

Vr: Als ik het aan jou vraag op een andere manier. Wat is het verschil tussen jou en mij, uitgaande van het feit [mogelijkheid] dat jij in non-dualiteit vertoeft?

JK: Dan zou ik zeggen, alles wat bij jou werkt, werkt bij mij precies hetzelfde. Dwz, het lijkt op eenvoudige patronen gebaseerd. Eenvoudige patronen die in de kern allemaal instinctief zijn. Het enige verschil zou kunnen zijn, dat jij die scheiding nog aanbrengt in het ‘niets’, die scheiding tussen waarnemer en wat wordt waargenomen. Of dat jij zegt dat je nog hinder hebt van een centrum of van een ik-gevoel. Om last te hebben van een ik gevoel moeten er al twee zijn. Je zou kunnen zeggen dat dat centrum dus ontmaskerd is, wanneer het gezien wordt als fictief, als niet bestaand, als een fata morgana.

Vr: Bedoel je daarmee dat jij jezelf niet als JK ziet?

JK: In mijn gedragingen met anderen beleef ik mezelf als JK. Tegelijkertijd is er geen locatie waar ik mezelf zou kunnen vinden.

Vr: Wat beleef je dan? Een leegte? Of volheid?

JK: Nee, dat is juist het punt, dan begin je dingen te beschrijven die niet op zijn plaats zijn, want die plaats waar je het wil beschrijven is er niet. Wat je wel kunt beschrijven is welk effect dat ‘zien’ heeft op de perceptie bijvoorbeeld. Dat zou je wel kunnen beschrijven. Natuurlijk.

Vr: Kun je dat beschrijven?

JK: Wanneer de innerlijke dialoog een dominante rol inneemt in je dagelijks of nachtelijk leven, zal de perceptie navenant zijn. Die is beperkt tot de kleine ruimte van het denken. En van daaruit gaat de aandacht af en toe wel naar buiten, dwz dat je beseft dat er geluiden zijn, en dat er een ruimte is waar wolken en wind en bomen zijn, maar dat zijn doorgaans heel korte momenten. Het gaat maar heen en weer, van de innerlijke dialoog naar een wat ruimere perceptie.

Vr: En is bij jou de innerlijke dialoog minder, of verstomd, of kun je die aan en uit zetten?

JK: Ja, die is over het algemeen verstomd maar ik kan het ook aan en uit zetten. Het gekke is dat ik niet weet hoe ik het doe. Anders zou ik eventueel in de verleiding kunnen komen daar workshops over te geven. Ik hoef alleen maar de aandacht op, ja waarop eigenlijk, te richten en de innerlijke dialoog is weg. Toch noem ik het niet eens een dialoog, het is meer dat het gedachten zijn die nergens over gaan, een soort lichte ruis. Maar als het wel een onderwerp is, kan het een dialoog worden. Dan kan ik er eventueel iets functioneels in vinden. Als ik bijvoorbeeld met mijn huis bezig ben, met praktische zaken.

Vr: En als de dialoog verstomd is, ben je dan volledig ontspannen?

JK: Dat hangt er ook van af. Een gedachteloze ‘toestand’ is zeker heel weldadig voor het systeem. Maar volledig ontspannen zijn, dat kan als je lange tijd alleen bent bijvoorbeeld. Als ik een week alleen ben in deze kamer dan moet ik niet op de bank gaan liggen want dan ben ik vertrokken. Dan kun je uren in een, zeg maar blanco staat vertoeven. Zoiets kun je wel doen voor langere tijd maar daar schiet de verbouwing van mijn badkamer ook niet echt mee op. Het schiet al niet erg op maar er zijn nog veel meer dingen te doen hier op deze locatie.

Maar omdat ik nogal geneigd ben sociaal te zijn, in interactie met de omgeving, kun je natuurlijk ook weer minder ontspannen worden. Zo werkt dat nu eenmaal, want invloeden van de omgeving hebben zeker hun impact.

Vr: In de satsang van afgelopen zaterdag sprak jij over het eigenheidsgevoel. Is dat het ego?

JK: Nou nee, volgens mij is het ego een verzamelnaam voor alle uitwassen die ook wel identiteiten worden genoemd. Het is een woord uit de psychologie, prima om iets te beschrijven, maar dit hier, gaat over voelen, ervaren. Om een vergelijking te maken, ego is structuur en eigenheidsgevoel is meer smaak, het kent nog geen naam. Dat eigenheidsgevoel is dat wat heel intiem de smaak, m.a.w. de indruk geeft: IK BEN.

Als de aandacht er spontaan of intentioneel naar toe gaat, vervalt de innerlijke dialoog, de wereld is er niet, er is alleen dat eigenheidsgevoel. Tenminste wanneer de aandacht daar kan vertoeven.

Vr: Dus het is iets prettigs eigenlijk?

JK: Eh, de uitwassen, al die verschillende identiteiten hebben allemaal hun specifieke kwaliteiten natuurlijk. Die kunnen zeggen wat goed of prettig is en ook nog denken een behoorlijke vinger in de pap te hebben. Maar de kern van al die druktemakers is wel ‘eigen’ maar neutraal. Wanneer die kern veelvuldig gespot wordt zal het zijn relatieve dichtheid verliezen en eventueel verdwijnen. Niet dat het moet, maar zoiets is nu eenmaal de consequentie van dit onderzoek. Het gaat hier over een buitengewoon subtiel gebeuren.

Vr: Is dat bij jou het geval?

JK: Ja, er is absoluut geen plek te vinden waar ik mijn zogenaamde zelf een hand zou kunnen schudden, er is geen zelf. In het begin van dit onderzoek is er een zelfbeeld gerelateerd aan een geagiteerde innerlijke dialoog en al die zogenoemde identiteiten. Als de aandacht bij dat zelfbeeld blijft, zal gezien worden dat het zelfbeeld langzamerhand overgaat in het eigenheidsgevoel. Echt makkelijk is het niet, want houd je maar eens bij een gedachte, dat is niet eenvoudig. Daarom zeg ik: alle energie van de aandacht wordt gebruikt om bij dat gevoel te blijven, bij die kern.

Vr: Ik ervaar soms van binnen een soort pijn, ik noem het altijd heimwee. Maar met letterlijke heimwee zoals we het in de maatschappij kennen, heeft het niets te maken omdat ik het net zo gemakkelijk thuis kan voelen. Maar het gevoel kan ik niet anders omschrijven als heimwee.

JK: Het is een prachtige omschrijving van iets dat heel intiem is. Dat heimwee, dat ligt bijna op de bodem van het hart. Of bijna… het ís de bodem.

Vr: Maar het knaagt, je kan er niet om heen.

JK: Nee, je kunt er niet om heen. Het is een mooie beschrijving van jou over heimwee. Je kunt het zien als een soort ankerpunt van waaruit je je zogenaamde zelf kunt zien in het licht van de onvermijdelijkheid. Je kunt geen kant op bedoel ik. Er zijn geen uitvluchten. Heimwee in jouw geval kan een prachtige uitnodiging zijn om er aan voorbij te gaan.

Vr: Wat bedoel je er aan voorbij te gaan.. aan de heimwee voorbij te gaan? Hoe glip je daar dan voorbij? Dat is dan de vraag.

JK: Ja, kijk nu bepraten wij het, maar als je helemaal in bezit genomen wordt door dat heimwee gevoel, is dat bij uitstek de gelegenheid om je de vraag te stellen: Wie is het die deze ervaring heeft? Wie ervaart dit? Dan heb je alle ingrediënten bij elkaar om in die kern te vertoeven, in dat eigenheidsgevoel.

Vr: Maar je zei net ‘er aan voorbij gaan’

JK: Wat ik bedoel met eraan voorbij gaan is dat je in feite ter plekke sterft. Het sterft in je. Dat eigenheidsgevoel en de heimwee tegelijk, die sterven. Deze locatie sterft… eventueel. Vergeet niet dat we op dat moment absoluut geen zeggenschap hebben. Op andere momenten lijken we dat wel te hebben maar dat is schijn. We zijn zo ongelooflijk gewend aan deze locatie. Dus de ‘consequentie’ van dit sterven is het zien dat er geen plek meer is en ook niet nodig is. In de perceptie is er geen plek nodig, want perceptie is de ‘plek’.

Wat dat betreft is er heel veel met elkaar uit te wisselen. Terwijl je in feite het non-dualisme in een alinea uiteen kunt zetten. Maar als je zo met elkaar zit te praten heb je weldra een boek vol.

Vr: Het helpt mij om dit met jou te bespreken want ik zit heel vaak in die directe ervaring van de heimwee en dat knaagt. Zodanig dat ik rondjes loop als een dier in een kooi mij afvragend hoe ik dat gevoel weg kan krijgen. En tijdens de satsang zei jij: angst kan je overvallen. Bij mij is het dit gevoel dat me overvalt en toen vroeg ik mij af: is dit nu een emotie gelijk aan blijdschap, angst en zo, of is dit iets anders.

JK: Ja, dit is anders, het gaat regelrecht naar de kern. Zodra het zich aandient heeft het niet zoveel te maken met plezier of verdriet, hoewel dat er ook wel in zit. Het is een soort zijns-smart. Het woord heimwee zegt het al. Er is een smart van ‘ik wil weer terug’, zoiets.

Vr: Het is ook niet vergelijkbaar met andere emoties omdat het eigenlijk ook heel zacht is. Wat vreemd is want deze zachte pijn schrijnt nog erger.

JK: Ja precies.

Vr: Dan wil ik er aan de ene kant liefst van af, omdat het haast tastbaar is, maar aan de andere kant, als het weg is dan voelt het leeg.

JK: Dus je beschrijft nu eigenlijk jouw wezenlijke ingang, wat ook de uitnodiging is. Voor mij was de uitnodiging depersonalisatie en voor jou is het heimwee. Kernachtige ervaringen die ervoor zorgen dat je geen lange weg hoeft te bewandelen.

Vr: Je gebruikt het woord uitnodiging, wat bedoel je precies?

JK: Nou, de uitnodiging om te zien dat die ervaring van heimwee naakt, kaal en alleen is. Dat is misschien verontrustend als het op deze wijze wordt gezegd maar daar komt heimwee helemaal tot zijn recht. Juist in die kaalheid. Heimwee heeft dan geen cultuur meer. Het behoort niemand meer toe. Het is niet meer omgeven door het verhaal. Er is niemand meer die de ervaring van heimwee kan opeisen. Onderschat dit niet want het is namelijk de ontmaskering van de iemand.

Vr: Het woord ontmaskeren resoneert wel, want we vertellen onszelf ook zoveel verhalen van jongs af aan, dat is ook het zelfbeeld. Je verhaal wie je bent en zo.

Maar je gebruikte het woord uitnodiging. Normaal wordt een uitnodiging verzonden. Door iemand, wie nodigt dan op dit moment uit als jij zegt dat is de uitnodiging?

JK: Tja, omdat het onzegbaar is kun je het niet verwoorden, maar toch doen we dat nu eenmaal omdat we het willen bespreken. Het is een onmogelijke zaak het in woorden te vatten, want alles wat erover gezegd wordt is natuurlijk stamelen, pruttelen en pogen. Terwijl je weet dat het een onmogelijke zaak is gebruik je te kust en te keur metaforen, poëtische termen of juist heel botte termen. Het is een rommelen in de marge.

Vr: Ik vraag het specifiek omdat ik eens bij een satsang in Brussel ook steeds het woord uitnodiging terug hoorde komen, in het Frans: l’ invitation..

JK: Ja l’invitation vanuit het onzegbare. Ja het naakte zien, je wezenlijke natuur wil helemaal niets, het is ‘niets’ maar wel een en al beschikbaarheid. Die beschikbaarheid kun je als de uitnodiging zien.